facebook     twitter2  

 

Een ‘duivelse’ groeve
door Jo Purnot

 In een vorig artikel hebben we al geschreven dat er vroeger twee rechtstreekse routes waren tussen Gronsveld en Cadier en Keer. Twee wegen die qua afstanden niet veel verschilden. Maar wel ieder met hun eigen geschiedenis en voor de dorpelingen hun eigen mystiek. De ene route leidde door de Dort (Daor), langs de ‘hemelse” Fontéin (zie jrg 4, nr 2). De andere langs de ‘duivelse” Hel (aan de Hèl aaf). De keuze van de route was vaak een keuze die met durf en de gemoedstoestand van het moment te maken had.

De Hèlwieëg
Volgens verhalen had de Hèlwieëg, zoals deze in Keer genoemd werd, bij klaarlichte dag de voorkeur, maar als het donker was, werd deze weg zoveel mogelijk gemeden. De Helroute liep over ’t Gruusselt, langs Hotsboom, de Helgroeve en dan buiten het bos via een holle weg het dal in naar Gronsveld. De weg had een slechte reputatie, alleen de naam al, Hèlwieëg, had iets macabers. Na een regenbui was hij glibberig en moeilijk begaanbaar. Maar wat vervelender was, veel Keerdenaren voelden zich in het bosgedeelte niet op hun gemak, zeker als men alleen op pad was. Het was er niet pluis, fluisterden de dorpelingen. Iedereen kende het verhaal van het spook van ’t Gruusselt, het verhaal van Pieter d’n Das die het waagde ’s nachts via de Hel te komen
(Keerder Kroniek, jrg. 2 pag. 177). Ook het paard van Pie Spronck dat in 1915 boven de Hel pardoes in de grond zakte, zal niet hebben bijgedragen aan de gemoedsrust van de bijgelovige dorpelingen (Keerder Kroniek, jrg. 3, pag. 24). Vooral de Helgroeve zelf had een bedenkelijke reputatie, omdat de groeve in het verleden mensenlevens had geëist.
Van de vooroorlogse Keerder jeugd is bekend dat ze vaak de mergelgroeven introk, maar een zegsman (geboortejaar 1931) vertelde dat hij met zijn kameraadjes de Hel en het gebied rond Hotsboom zoveel mogelijk meed. Op de vraag naar het waarom wist hij geen duidelijk antwoord te geven. “Je kwam daar nu eenmaal niet graag”.

jrg5blz12

De Helgroeve (foto: Jan Spee)

 


 

Ook wist men dat de galling (galg) van Gronsveld in die buurt had gestaan. De eenzame voorbijganger zal zeker gegruweld hebben bij de gedachte dat het gebruikelijk was de terechtgestelde dagenlang te laten hangen als schrikbarend voorbeeld en als prooi voor de vogels. Al met al ingrediënten die zorgden voor een unheimliches gevoel bij onze bijgelovige voorouders. Trouwens over de galg gaat nog een verhaal. Volgens de overlevering werd rond 1730 een zekere Jan Brant wegens diefstal van een paard door de schepenen van Gronsveld ter dood veroordeeld. De terechtstelling bracht veel mensen op de been. Waar veel mensen zijn, worden ook zaken gedaan, dus stond er een drankverkoper langs de route naar de galg. Toen de veroordeelde bij de drankverkoper kwam, vroeg hij om een verversing en nodigde hem terloops uit om in zijn plaats verder te gaan. Toen de begeleidende schutten hem geboden met die onzin op te houden en door te lopen, sprak Jan de historische woorden: “Ho, hangen heeft zo geen ijl, Heren”.  Vandaar nu nog het gezegde in deze streek als iemand alle tijd heeft: Hange haet g’n ijl, zag Jan Brant. Overigens in de archieven zijn wij (nog) niets over deze rechtszaak tegengekomen.

Kalksteenwinning
Voordat we ingaan op de Helgroeve eerst kort iets over de kalksteenwinning. In onze contreien komt “mêlleger” (kalksteen) aan de oppervlakte voor of ligt er vlak onder. Enorme kuilen zijn gegraven om de  mêlleger te winnen. De Julianagroeve in de Schiepersberg en de NEKAMI-groeve zijn hier voorbeelden van. Maar meestal werd de mêlleger niet in dagbouw, maar onder de grond in gangen gewonnen. In ons dorp zijn vele van die mêllegerloeëker aan te wijzen. Mêlleger wordt gebruikt om de uitgemergelde grond weer vruchtbaar te maken, maar het belangrijkste was het gebruik als bouwmateriaal. Het lag voor de hand dat in de meeste negentiende eeuwse huizen mêlleger werd verwerkt. Ook in ons gemeenschapshuis ‘het Keerhoes’ en de in 1958 afgebroken kerk zijn hier voorbeelden van.
De Helgroeven
Als we over de Hel praten dan hebben we het eigenlijk over twee groeven, de Grote en de Kleine Hel. Hoe oud de groeven zijn is moeilijk met precisie aan te geven, maar zeker zestiende eeuws. Een aanwijzing is te vinden in een kleine nis waar het jaartal 1587 dun staat ingekrast en bijna onleesbaar den 24 dag…. Verder nog een enkel jaartal uit de zeventiende eeuwen verschillende jaartallen van begin achttiende eeuw. In de helgroeven zijn nogal wat opschriften te vinden, zoals ietwat cryptisch: “Zuster van de zonnestraal, een witte roos in het boeket, een lelie op het bladerdek, een zwaan wiens dons zijn grens niet erkent, een ster aan het blauwe firmament”. Of stichtelijk : Gij die hier binnen treedt, laat alle veete vare”. En wat te denken van: “Niemals kom ich meer hier ein das vervloechter Spelonken”. Soms konden bezoekers van de Hel zich ternauwernood redden. “Op heden den 1 (february).. Omtrent 12 ure 1823 is een schroomelijke getal van blokken afgevalle waar wij met drieen onder gestan hadde genant Matthijs Ramakers van Margerate, Matthieu Schrijnemaekers Gronsfeld W. Theunissen. Wij danken god dat hij oos bewaert heft van de dood”.
In juni 1965 vond een grote instorting plaats. Niet zo verwonderlijk want vooral de stabiliteit van de Kleine Hel was bedenkelijk. Meerdere kolommen vertoonden scheuren en er was veel roofbouw gepleegd. Niet lang daarna werden de toegangen afgesloten. Toch wisten in december 1982 leden van de Vereniging tot Natuurbehoud een bezoek te brengen aan de Helgroeve. Van de tocht staat een verslag in Ut Wiet Klief van juli 1984. Tijdens de tocht door de mergelgangen kwamen de natuurvrienden een aantal opschriften tegen, soms alleen maar een naam, dan weer een jaartal. Vooral namen als Beuken, Schiepers, Jaspers en Pinckaerts, maar ook; ‘E. Vliegen en J. Schreurs, 26 februari 1860 hebben hier een druppel gepakt half 8 ’s avonds.’ En: E. Vliegen van Keer den 26e Sept. 1860 meende dit schulpje te krijgen.’

jrg5blz14

(foto: Jan Spee)

Een aantal opschriften dat men aantrof sprak voor zich. Twee voorbeelden: ‘Ik ben in de Hel, dat weet ik wel. Ik ben hier gans alleen. Den duvel weet waar mijn kameraden zijn.’ Of wat te denken van: ‘Past op degene die den Duvel beminnen, want hier in deze plaats die altijd den naam van Hel heeft gedragen zijn de duivelen ontelbaar.’ Of: ‘Die dit monster (duivel) beziet is nog zotter als die hem gemaakt heeft.’ ‘Werkman uit dezen berg, wat gij nu zijt ben ik geweest en wat ik nu ben (skelet) zult gij weldra wezen.

De tekst die mij in het verslag het meeste intrigeerde was: ‘Hij is dood in den blokberg, laat hen rusten in vrede. H. Vincent Gronsveld 1893.’ Nieuwsgierig naar de betekenis hiervan, ging ik op zoek in het gemeentearchief van de gemeente Gronsveld naar meer bijzonderheden. Na enig speurwerk kreeg ik een brief onder ogen van de toenmalige burgemeester van Gronsveld aan de Commissaris van de Koning, gedateerd 19 januari 1893. Verder kreeg ik, jaren later, van Jan Spee, lid van de Stichting Ondergrondse Klaksteengroeven, een kopie van een brief van de ingenieur der mijnen E. van Elst aan de gouverneur over het voorval. Uit beide brieven is de volgende gebeurtenis te reconstrueren.

jrg5blz15

(foto: Jan Spee)

Het ongeval van 17 januari 1893
De Gronsveldse leiendekker Henri Vincent had een stukje grond gekregen om daarop een huisje te bouwen. Hij vroeg aan de eigenaar van de Hel, de familie Schrijnemaekers uit Maastricht, toestemming om mergelblokken te breken. Na meerdere verzoeken werd dit toegestaan onder voorwaarde dat de mergelblokken werden gebroken op aanwijzingen en bij aanwezigheid van de ervaren blokbreker Mathijs Quaden, die de blokken moest losmaken. Aldus geschiedde. Quaden werd door Vincent in daghuur aangenomen. Toen zij een dag of vijf bezig waren, kregen ze hulp van een zwager van Quaden, Frans Reiners, dagloner uit Heer. Terwijl Quaden de blokken ‘uitwerkte’, zaagden Vincent en Reiners de gewonnen blokken in kleine stukken. Als Quaden niet in de groeve was, omdat hij nog ergens anders werk had, hielden zij zich bezig met het opruimen van afval. Toen Reiners op een avond niet thuis kwam, werd Quaden, die bij Reiners inwoonde, niet achterdochtig. Het was een regenachtige dag en hij dacht dat Reiners bij Vincent was blijven slapen. Overigens waren zij gewend tot laat in de nacht te werken. Maar toen de vrouw van Vincent tegen de morgen merkte dat haar man er nog niet was, waarschuwde zij het raadslid Lebens. Deze begaf zich onmiddellijk samen met de veldwachter en aantal naobersj naar de onbezoldigde rijksveldwachter Beuken, boswachter van de bossen waarin de mergelgroeve lag. Ook de marechaussee van Eijsden werd gewaarschuwd. In de groeve aangekomen vonden zij Vincent en Reiners niet op de plek waar ze moesten zijn. Toen zij verder de groeve in gingen, ontdekten zij beide mannen in een dwarsgalerij. Vincent lag gedeeltelijk bedolven en had een grote wond aan het voorhoofd; Reiners was over zijn hele lichaam gewond. De instorting had uren eerder plaatsgevonden, want beide lichamen waren reeds koud. De lijken werden met veel moeite onder de grote blokken vandaan gehaald. Het bleek dat ze, tegen de waarschuwing van Quaden in, toch op een andere plaats aan het werk waren gegaan. Uitgerekend een plaats die door Quaden was aangewezen als gevaarlijk. Verder onderzoek bracht aan het licht dat ze geprobeerd hadden in de buurt van een pilaar een blok uit te zagen, en dat daardoor een loshangende steenlaag naar beneden was gekomen. De stoffelijke overschotten werden ’s middags naar het lijkenhuisje op de begraafplaats van Gronsveld overgebracht, waar de lijkschouwing plaatsvond. De dag erna werden ze begraven. Beide slachtoffers lieten ieder een weduwe met vijf kinderen in behoeftige omstandigheden achter.
Bronnen:
Ut Wiet Klief, 1983, blz.58, 103.
Maasgouw 1880, blz. 304
Met dank aan : Jan Spee uit Maastricht en Henk Ramakers uit Cadier en Keer, leden van de S.O.K. (Stichting Onderaardse Kalkgroeven)