facebook     twitter2  

 

door Jo Purnot

 In de tijd dat de Keerdenaar overal te voet naar toe ging, waren er twee rechtstreekse routes tussen Cadier en Keer en Gronsveld. Een route leidde langs de Hel (de Hil aaf) en de andere door de Dort (Daor). Naar verluidt had overdag de weg langs de Hel de voorkeur, echter als het donker was, werd de Hílwieëg, zoals men hem in Keer noemde, zoveel mogelijk gemeden. Daarover een andere keer meer. De weg door de Daor had de handicap dat men bij Ooreberg een fiks hoogteverschil moest overwinnen. Maar het was aan de Fontein, die aan de Daorwieëg ligt, te danken dat de weg in het begin van de negentiende eeuw tot ver in de omtrek bekend was. Over de Fontein gaat dit artikel.

De Daor
Voor degenen die niet weten waar de Daor ligt: U loopt de Eckelraderweg af langs Ooreberg (picknickplaats). Beneden in het dal komt u bij een kruispunt. Linksaf is de Gröbwieëg die richting Wolfskop (Wojskop) loopt. Rechtdoor komt men in Eckelrade uit. De weg rechts is de Daorwieëg. Deze weg slingert zich onder Reinsberg en Riesenberg door naar Gronsveld. De Daorwieëg lag tot de herindeling van 1982 in de gemeente Gronsveld en vormde niet, zoals vaker is vermeld, de grens tussen het oude graafschap Gronsveld en de heerlijkheid Cadier. Die grens liep iets noordelijkere door het bos of onder de bosrand.

jrg4blz60

Volgens Caumartin, douanier en amateur-historicus, werd onder bij het kruispunt Grubweg-Eckelraderweg-Dortweg rond 1850, bij het uitgraven van fundamenten van een oude schuur, een urn gevonden. Die urn was gevuld met as en beenderen. Was het toeval dat op dit kruispunt menselijke resten lagen begraven? Of is het een bevestiging van een oeroud gebruik om doden langs belangrijke wegen en vooral bij kruispunten te begraven? Naar het antwoord kunnen we alleen maar gissen. Laten we Caumartin nog even aan het woord: “In het dal vlakbij de Dort stond vroeger een kapelletje op de rand van een fontein, de heilige fontein genaamd. De kapel is verwoest en de fontein is gedempt. Het water moet een onderaardse afvoer gevonden hebben, want er was geen spoor meer te zien aan de oppervlakte. Heel vroeger was het een druk bezochte bedevaartplaats, immers dit water was erg goed voor de genezing van oogkwalen”. Tot zover onze zegsman, die bekend staat als iemand die zijn fantasie weleens de vrije loop liet. Of er een kapelletje stond, moeten wij daarom met een korreltje zout nemen. Maar dat er een kruis heeft gestaan en dat de Fontein in het begin van de negentiende eeuw een toevluchtsoord was voor bedevaartgangers, is zeker.

Bedevaartplaats
De Gronsveldse onderwijzer Van de Boorn vertelt ons in de Maasgouw van 1886 meer. Hij schreef: “Tusschen Gronsfeld en’t kasteel Blankenberg ligt eene vallei de Dor geheeten, liefelijk en schoon, waar de wandelaar gaarne verwijlt tusschen de frissche lommer en het bekoorlijk groen. Waartusschen hier en daar, de overblijfsels van ingevallen mergelgroeven als de ruïnen, van reusachtigen kerken en kasteelen boven het lachende groen zich verheffen”. Verder schreef hij dat in die omgeving Lambert van Gelabeek in de zomer van 1805 tussen het struikgewas een bron met helder water ontdekte. Een miraculeuze bron, omdat in de wijde omgeving geen andere bron te vinden was. De toestand van de bodem, met zijn harde kalkstenen ondergrond, gaf daar ook geen aanleiding toe. Omdat de bron echt iets aparts was, zagen velen hierin een teken van ‘hierboven’. Spoedig werd bij de fontein een kruis in de grond geslagen en de inwoners van de omliggende dorpen kwamen er hun geluk en eventuele genezing afsmeken. Enkelen zagen brood in de situatie. Ze zetten er kraampjes neer, waar eten en drinken gekocht kon worden. Een slinkse zakenman, wiens vrouw een van die kraampjes exploiteerde, deed voorkomen alsof hij aan beide ogen blind was. Hij liet zich door een kind naar de fontein leiden. Bij het water aangekomen drenkte het kind een doek in de bron en wreef hiermee door de ogen van de ‘blinde’ en zie...... het wonder geschiedde. De man schreeuwde het uit van blijdschap en aan iedereen die het weten wilde, vertelde hij wat hem was overkomen. Natuurlijk ging het verhaal van de zogenaamde wonderbaarlijke genezing van mond tot mond. Van heinde en verre stroomden de pelgrims naar de fontein in de Daor. Tot zover de Gronsveldse onderwijzer.

jrg4blz62

….pelgrims bij de Fontein
(tekening Jean Keulen)
Maatregelen van de bisschop
Deze situatie was voor de wereldlijke overheid een doorn in het oog. De prefect in Maastricht (alles speelde zich af in de Franse tijd 1794-1813) trok aan de bel bij de bisschop van Luik, waartoe de parochies van deze streek behoorden. Deze liet een grondig onderzoek instellen. Het resultaat was zodanig dat hij op 17 oktober 1806 de pastoors in de omgeving een brief schreef waarin hij liet weten vernomen te hebben dat in mei laatstleden (1) in een vallei van de parochie Gronsveld een fontein ontdekt was. En dat door die onverwachte verschijning veel personen, vooral onwetenden en vrouwen, geloofden dat het water bovennatuurlijke krachten bezat. Die grote toeloop, niet alleen van mensen uit de buurt, maar ook van ver afgelegen plaatsen, baarde hem zorgen. Hij vond het een kwalijke zaak dat men verkondigde dat men door het water genas van allerlei kwalen. Daarom had hij het water scheikundig laten onderzoeken. Het onderzoek wees uit dat het om gewoon water ging, dat geen enkele bijzondere waarde had. Daarom drukte hij de parochiegeestelijkheid op het hart dat het hun herderlijke plicht was het bijgeloof tegen te gaan, vooral omdat het kon leiden tot bespotting van het echte geloof. De bisschop had zijn mededeling in het Latijn laten drukken, zodat de Vlaamse en de Duitstalige pastoors precies wisten wat aan de hand was. In een brief aan de prefect sprak hij de hoop uit dat deze het geplaatste kruis zou laten verwijderen. En dat hij, als bisschop, de geestelijken nog eens zou laten weten, dat het water uit de fontein evenveel geneeskracht had als het water uit een gewone dorpsput. Verder deelde hij hem mee dat hij ’s zondags het H. Vormsel had toegediend in Aubin-Chateau (een dorpje in de buurt van Aubel). Bij deze plechtigheid waren veel mensen op de been. Daar had hij van de gelegenheid gebruik gemaakt om de gelovigen nog eens op het hart te drukken geen waarde aan de fontein te hechten. Zulke situaties wierpen volgens de bisschop een blaam op de godsdienst. Hij besloot zijn brief met de vraag aan de prefect op te treden tegen gewetenlozen, die lichtgelovigen bedonderden. 
Al deze maatregelen misten hun uitwerking niet. Het aantal pelgrims liep terug. Echter niet helemaal, want Van de Boorn schreef (1886): “De bedevaarten hielden niet geheel en al op, want lieden van omstreeks tachtig jaar herinneren zich dat het plein voor de fontein ook nog later met bezoekers was overdekt, dat er kramen stonden en er koetsen stil hielden. Biddend toog men er heen en weder”.
Maar uiteindelijk maakte de fontein zelf een einde aan alle drukte. Ze gaf alleen nog maar met tussenpozen water. In 1867 stond de fontein helemaal droog. Alhoewel de Fontein toen niet in het gebied van de parochie Cadier lag, maar tot de parochie Gronsveld behoorde, hebben wij toch nog eens het kerkarchief van Cadier erop nagekeken. Echter, over die tijd zijn nauwelijks gegevens bewaard gebleven. Of pastoor Jean Jaspars zich veel heeft aangetrokken van het verzoek van de prefect en de bisschop is niet zeker, want Jaspars had nog een appeltje met de prefect van de Fransen te schillen. Deze had hem een aantal jaren zijn werk onmogelijk gemaakt, omdat hij, als pastoor, geweigerd had de eed af te leggen, waarin hij het koningschap moest afzweren en trouw beloven aan de republiek. Waarschijnlijk is Jaspars in die tijd zelfs moeten onderduiken, waardoor hij op geheime plaatsen zijn parochianen moet ontvangen.
Ook hebben we onderzoek gedaan naar de ontdekker van de bron. Degene die daarvoor in aanmerking komt, is Lambertus van Geladbeek, overleden op 23 maart 1857 te Gronsveld. Hij was toen 84 jaar. Lambertus was ongehuwd en zoon van Paschalis van Geladbeek en Eva Dupuits. Wellicht kwam hij op die bewuste dag, toen hij voor het eerst de bron zag, op familiebezoek, want in Cadier en Keer woonde familie van zijn moeder (2).
 
De Fontein later
Dat de Fontein onregelmatig water geeft, is niet zo vreemd. Zij wordt gevoed met regenwater van het plateau en dit heeft een hele tijd nodig voordat het de bron bereikt heeft. Het is dus mogelijk dat de Fontein actief is in regenarme perioden. Voor de Keerdenaren was dat erg belangrijk. Uit vraaggesprekken met oude inwoners weten wij, dat in de tijd vóór de aanleg van de waterleiding de vele poelen in ons dorp weleens droog stonden. Er was dan alleen putwater beschikbaar en dat had men nodig als drinkwater voor de dorpelingen. Met het vee moest men het dal in, naar de Fontein of de Maas. Omdat het vee grote hoeveelheden water dronk, ging men er met de hele kudde dagelijks het water opzoeken. Dat kostte natuurlijk verschrikkelijk veel tijd. Zonde, want droogteperioden vielen altijd in de zomer, oogsttijd dus. Later toen men over vaten en karren kon beschikken, was dat probleem voor een gedeelte opgelost.
Verder heeft de Fontein ook haar tol geëist, want volgens de overlevering is begin twintigste eeuw een non in de fontein verdronken. Een definitieve bevestiging hebben we hiervan nog niet kunnen vinden.
Na weer jaren water te hebben gegeven, stond een jaar of acht geleden (1992) de Fontein weer droog. Jammer, want er was net in dat jaar voor het eerst een ijsvogeltje bij de Fontein gesignaleerd. Alle werkzaamheden van een aantal VTN-leden ten spijt, de Fontein bleef droog. Totdat een jaar of twee/drie later, toen velen de moed al hadden opgegeven, de bron weer spontaan begon te stromen. Momenteel (2000) staat zelfs aan beide kanten van de weg het bronwater. De Fontein laat zich niet haar wil opleggen.

jrg4blz65

De Fontein anno 2000

Bronnen:
RAL: Frans archief, inv.nr 807
L. Vanderrijst: Mandements, lettres pastorales, circulaires......pag. 384-385
H.J. van den Boorn : De Fontein in de Dor te Gronsveld (Maasgouw 8, 1886-1887, pag.102-103
Jo Purnot: Ut Wiet Klief, jaargang 3 (1986)
Caumartin: Souvenirs de promenade à Gronsfelt (Publications 1864)
 
Noten:
1. Volgens Van de Boorn is de bron ontdekt in de zomer van 1805, de bisschop spreekt over 1806
2. Hubertus Dupuits (zie jaargang 2 pag. 144 en jaargang 4 pag.42) is een broer van zijn moeder.